Contact informatie

Booij Ontwerp & Bouwmanagement

Keizersmantel 34
7943RW Meppel
The Netherlands

Tel: 0522 246 718
Mail: info@booijzone.nl

kvk: 01127208
bank: 1010.41.950

Op al onze overeenkomsten is de DNR van toepassing.
Isolatiemateriaal Print E-mail

Helaas wordt er nogal vaak gegoocheld met isolatiewaarden. Voor een leek is dat erg verwarrend, te meer omdat veel mensen die hij of zij zou moeten kunnen vertrouwen zichzelf met een kluitje in het riet laten sturen. Vandaar dat wij hier toch wat toelichting op het onderwerp isolatie willen geven.

Er valt veel over isolatie te zeggen maar hier willen wij toch vooral slechts op de volgende zaken ingaan:

  • R-waarde

  • Wat is veel en wat is weinig isoleren?

  • Valkuilen! Waar gaat het in de theorie en praktijk vaak mis.

 

R-waarde

De R-waarde is de standaardwaarde waarmee isolatiewaarden meestal worden aangegeven. Minder logisch dan in eerste instantie lijkt. Deze waarde staat namelijk voor de warmteweerstand terwijl men met isoleren vooral probeert het warmteverlies te beperken. Het warmteverlies, de U-waarde, is het omgekeerde van de R-waarde (letterlijk: U = 1:R).

De R-waarde is een numeriek getal dat niet echt goed is te plaatsen. De U-waarde maakt meteen duidelijk wat ons interesseert: De grote van het warmte verlies dat we met isolatie proberen te beperken! De U-waarde wordt aangegeven in W/m2.K (Watt per vierkante meter maal graden Kelvin (gelijk aan graden Celcius) temperatuursverschil).

Dat de U-waarde vaak inzichtelijker is en internationaal meer wordt gebruikt leidt tot verwarring. In de Nederlandse bouw is de R-waarde echter de standaard met uitzondering van waarden voor glas. Bij glas is het namelijk wel gebruikelijk de U-waarde te hanteren.

Voor de volledigheid: Vroeger werd de U-waarde aangeduid als k-waarde.

Inhoudelijk staat de R-waarde dus voor de warmteweerstand en deze wordt uitgedrukt in m2.K/W (vierkante meter maal graden Kelvin gedeeld door Watt). De R-waarde van een constructie bestaat vaak uit meerdere lagen (bijvoorbeeld een binnenspouwblad, isolatie, luchtspouw, buitenspouwblad) waarvan de afzonderlijke R-waarden bij elkaar mogen worden opgeteld om op het totaal uit te komen. Om deze verschillende R-waarden te onderscheiden wordt de R door een aanduiding in kleine letters gevolgd, hierbij worden enkele standaarden gehanteerd, bijvoorbeeld:

  • Rc = Is de warmteweerstand van de gehele constructie.

  • Rse = Warmteweerstand voor de luchtlaag aan de buitenzijde van de constructie.

  • Rsi = Warmteweerstand voor de luchtlaag aan de binnenzijde.

De verschillende R-waarden van de lagen worden berekend door de dikte ervan te delen door de λ-waarde (lambda) van de betreffende materialen of door een voorgeschreven waarde te hanteren. Dat laatste geld voor een luchtspouw en de Rse en de Rsi.

Belangrijk is dat de λ-waarde van de fabrikant van het materiaal alleen mag worden gebruikt als dit een officieel goed vastgestelde waarde is! Dit dient met een CE-markering te zijn aangetoond, anders dient de standaardwaarde voor het betreffende materiaal conform de NEN1068 te worden gehanteerd. Geeft de fabrikant meerdere waarden op dan dient men de waarde aangeduid met "rekenwaarde" of "λdeclared" te gebruiken. Daarnaast moet men uitkijken bij samengestelde lagen als bijvoorbeeld metselwerk. De λ-waarde van alleen een steen is vaak beter dan die van een muur waarin ook de voegen zijn meegenomen. Informatie hierover is vaak onduidelijk maar het mag duidelijk zijn dat de laatste waarde gebruikt moet worden.

De belangrijkste R-waarde is de Rc die zoals gezegd de warmteweerstand voor de gehele constructie aangeeft. De Rc is een officiële rekenwaarde, logisch dat hierin dus ook een veiligheidsmarge wordt aangehouden. De officiële formule uit de NPR 2068 (2002) om de Rc-waarde te bepalen is:

Rc = (( ΣRm ) + Rsi + Rse) / 1 + α ) - (Rsi + Rse)

De α is de veiligheidsmarge en meestal 0,05 (= 5%). De ΣRm staat voor de som (de optelling) van de R-waarden van de verschillende lagen waaruit de constructie is opgebouwd.


Wat is veel en wat is weinig isoleren?

Veel of weinig is een relatief begrip. Om dit duidelijk te maken willen we eerst ingaan op een belangrijke factor die bij isoleren gemakkelijk wordt vergeten: De oppervlakte. Deze factor wordt in de eenheden waarin de R-waarde en de U-waarde worden uitgedrukt duidelijk aangeven. Natuurlijk is de relatie tussen oppervlakte, temperatuurverschil en warmte logisch. Maar toch staart men zich vaak blind op de R- of U-waarde!

Hoe groter een gebouw hoe groter het oppervlak van de isolatieschil. Daarnaast telt ook de verhouding tussen de oppervlakte van de isolatieschil en de inhoud van het gebouw. U zult begrijpen dat een gebouw zonder uitsteeksels daarin efficiënter is dan een gebouw met inhammen of uitsteeksels als een logia, een dakkapel, een serre, een aanbouw of een portiek.

Dit kan het beste inzichtelijk gemaakt worden met een simpele voorbeeldberekening waarin de warmteverliezen worden uitgerekend. Hierbij gaan wij uit van twee verschillende gebouwen van elk 400 m3 en een temperatuurverschil van 25 graden (buiten minus 5 en binnen 20 graden).

Gebouw 1 is een rechthoekig gebouw van 8 x 5 x 10 meter, het oppervlak van de isolatieschil bedraagt dus 340 m2. Stel dat de gemiddelde Rc-waarde op 4 ligt, dan ligt de gemiddelde U-waarde op 1 : 4 = 0,25 W/m2.K. Het warmteverlies is dan 0,25 x 340 m2 x 25 graden = 2125 Watt.

Gebouw 2 is eveneens een rechthoekig gebouw maar meet 4 x 5 x 20 meter waardoor het oppervlak van de buitenzijden 400 m2 bedraagt! Uitgaande van dezelfde isolatiewaarden komt het warmteverlies op: 0,25 x 400 m2 x 25 graden = 2500 Watt. Oftewel, 375 Watt meer (ruim 17,5%). Wil men dit met isolatie opvangen dan moet men procentueel hetzelfde aan isolatie toevoegen en dus een Rc = 4,70 m2.K/W toepassen!

Uit het voorgaande blijkt dat het uiteindelijke resultaat van de hoeveelheid isolatie die men toepast ook afhangt van hoe efficiënt de vorm van een gebouw is. Daarom zijn in het Bouwbesluit twee eisen van toepassing, een absolute minimale waarde en een Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). In veel gevallen geld dat de Rc minimaal 2,50 m2.K/W moet zijn. De EPC-eis maakt dit voorschrift meestal overbodig omdat hieruit meestal hogere eisen voortvloeien.

De EPC is een factor die op het gehele gebouw van toepassing is. Dit wordt middels een computerprogramma berekent waarin onder andere rekening gehouden wordt met de factor inhoud en oppervlakte buitenzijde, zontoetreding en oriëntatie, type installaties, isolatiewaarden, etc. Om aan de EPC-eis te voldoen zijn vrijwel altijd hogere isolatiewaarden dan 2,50 m2.K/W noodzakelijk, een waarde boven 5,00 m2.K/W heeft meestal een verwaarloosbaar effect.

Dat de beleving van goed en slecht isoleren door de tijd heen verandert komt door het aanscherpen van de regelgeving. De EPC-eis is in 1995 geïntroduceerd en continue bijgesteld. Voor woningen is dit als volgt bijgesteld en is men voor de toekomst het volgende van plan:

  • 1995: EPC = 1,4

  • 2000: EPC = 1,0

  • 2006: EPC = 0,8

  • 2011: EPC = 0,6

  • 2015: EPC = 0,4

Kortom, bij verwarmde gebouwen is in de huidige beleving een Rc van 2,50 m2.K/W minimaal en meestal slecht, een Rc van 3,50 m2.K/W tot 4,00 m2.K/W goed en alles daarboven erg goed. Boven de 5,00 m2.K/W heeft isoleren meestal geen zin omdat de meeste verliezen op andere onderdelen zo groot zijn dat de effecten minimaal zullen zijn.

 

Valkuilen! Waar gaat het in theorie en praktijk vaak mis.

Een veel gemaakte theoretische fout hebben we al behandeld: Niet rekening houden met de verhouding tussen oppervlakte van de buitenzijde en de inhoud van een gebouw. Dat dit gewoon niet altijd kan spreekt voor zich, maar als men hiervan niet bewust is kan de uitkomst van de EPC-berekening tegenvallen.

Een tweede categorie van fouten die vaak gemaakt worden zijn fouten in de berekening van de Rc-waarde. Door de tijd heen zijn hiervoor ook de normen aangepast en ook worden onderdelen "vergeten". De belangrijkste fouten zijn:

  • "vergeten" van spouwankers bij spouwmuurconstructies.

  • Onterecht uitgaan van een ongeventileerde spouw in plaats van een zwak geventileerde spouw.

  • Verkeerde λ-waardes gebruiken (Bijvoorbeeld van droge en dus beter isolerende stenen en de slecht isolerende specievoegen te vergeten).

  • Oude of versimpelde formules gebruiken waardoor correctiefactoren niet worden gerekend (minimaal 5%) of waardoor de Rsi en Rse niet van het resultaat worden afgetrokken.

Deze "fouten" kunnen een afwijking van ruim 10% veroorzaken. Hierdoor kan de Rc op bijvoorbeeld 4,5 m2.K/W uitkomen terwijl deze, als men hem goed uitrekent, 3,9 m2.K/W moet zijn! Dat dit in het nadeel van de opdrachtgever is, spreekt voor zich. Ons advies; indien de berekende Rc van de constructie circa 0,1 boven de R-waarde van alleen het isolatiemateriaal ligt dan dient de berekening gecontroleerd te worden!

Een andere fout die gemaakt kan worden zijn holle ruimtes achter het isolatiemateriaal (aan de "warme" kant) en spleten tussen de onderlinge platen of dekens. Door warmteverschillen kan een luchtstroming op gang komen waardoor het effect van de isolatie plaatselijk sterk af neemt. Theoretisch wordt gesteld dat bij 5 mm ruimte de isolatiewaarde met 50% afneemt! Isolatiemateriaal dient dus zorgvuldig te worden verwerkt in zo groot mogelijk platen in halfsteensverband. Grotere naden, bijvoorbeeld bij passtukken of op hoeken kan men het beste met PUR-schuim vullen en afplakken met isolatieplakband (duct-tape). Behalve op de bouwplaats zelf kan men bij het ontwerpen hiermee ook rekening houden door zoveel mogelijk pas- en maatwerk te voorkomen.

Koudebruggen zijn eveneens een veel voorkomende fout. Het woord koudebrug is een oude term. Ooit uitgevonden om een oorzaak van condensatie en schimmelvorming aan de binnenzijde van constructies te benoemen. Helaas wordt vaak nog op die manier gedacht en zolang genoemde effecten niet optreden wordt de koudebrug niet (h)erkend. Maar als koudebruggen worden gezien als de zwakke plekken in de isolatieschil van een gebouw omvat de term veel meer! Vaak zijn koudebruggen te voorkomen, maar regelmatig ontkomt men er echter niet aan. Dan is het zaak de koudebrug zo veel mogelijk te beperken. Voorbeelden van zulke situaties:

  • Ophangingen van balkons.

  • Staalconstructies in de spouw.

  • Buitengevels die op een plat dak staan.

  • Uitkragingen van verdiepingen.

  • Rioleringen in de spouw.

  • Oplegging van de begane grondvloer op de fundering.

  • Metselwerk ondersteuningen bij grote overspanningen / raamopeningen.

Een zwakke plek die vaak vergeten wordt zijn de hoeken in de buitengevel ter plaatse van de begane grondvloer of het platte dak. Het oppervlak van de buitenzijde is hier in verhouding groter dan bij de rest van de constructie. Hier zal dus het meeste warmteverlies optreden. Als men op deze plaatsen tevens een van de eerder genoemde koudebruggen toepast, zonder afdoende maatregelen te treffen, kan men ook tegenwoordig nog een ouderwetse koudebrug met condensatie en schimmelvorming creëren!

Een andere misvatting is af gaan op de dikte van de constructie. Dit speelt met name bij spouwmuurconstructies. Vroeger kwamen alleen halfsteens of steens muren voor. Daarna werd de spouwmuur populair. De spouwmuur werd vervolgens geïsoleerd. Door de tijden heen groeide de dikte van de spouwmuur als gevolg van het steeds dikker worden van het pakket isolatiemateriaal om steeds hogere isolatiewaarden te halen. Hierdoor is het gevoel ontstaan dat hoe dikker de constructie is hoe beter deze isoleert.

Dat is een misvatting. Door toepassen van hoogwaardig isolatiemateriaal kan men de dikte van de constructie beperken. Dit heeft technische en esthetische voordelen en levert netto ruimte op. Een hoogwaardige isolatie met bijvoorbeeld Kingspan Kooltherm K8 met een dikte van 87 mm heeft al een R-waarde van 4,10 m2.K/W. Een goede glaswolplaat als de Isover Mupan heeft met een dikte van 145 mm een R-waarde van eveneens 4,10 m2.K/W maar is wel bijna 6 centimeter dikker!

In België en Duitsland is het gebruikelijk het binnenspouwblad in 17,5 cm dikke stenen uit te voeren. Vooral in Duitsland past men vaak slechts 100 mm glaswol toe met een λ-waarde van slechts 0,035 wat resulteert in een R-waarde van 2,86 m2.K/W. De spouwmuurconstructie is vaak als volgt opgebouwd: 100 mm voor het buitenspouwblad, 40 mm luchtspouw, 100 mm isolatiemateriaal en 175 mm binnenspouwblad. De totale dikte van de spouwmuur komt daardoor uit op 415 mm. De Rc van de constructie zal dan ergens rond de 2,99 m2.K/W liggen en dat is tegenwoordig meestal te laag!

Een slanke en in Nederland gebruikelijke constructie is slechts 340 mm tot 350 mm dik omdat het binnenspouwblad slechts 100 mm bedraagt en circa 100 mm ruimte voor isolatie wordt aangehouden ook al past men bijvoorbeeld de Kooltherm K-8 plaat van 87 mm toe. Dit resulteert in een Rc van 4,17 m2.K/W. Een goede isolatiewaarde. Behalve dat dit meestal ruim voldoende is blijft er tussen de buitenmuren minstens 12,5 cm meer over aan nuttige ruimte omdat de beide gevels slanker zijn.

 

Conclusie

Het bovenstaande kan voor u misschien een tikje te gedetailleerd zijn. Maar in het kort komt het er op neer dat er bij isoleren meer komt kijken dan ergens een plaatje in drukken of een dekentje tegenaan spijkeren.

Met isolatiewaardes kan flink "geknutseld" worden. Dat kunt u echter makkelijk controleren, als de Rc-waarde (van de hele constructie) de R-waarde van alleen het isolatiemateriaal met meer dan 0,1 ruim overschrijdt dan mag u achterdochtig zijn. Vaak wordt er dan verkeerd gerekend. Let op! Ook fabrikanten doen daaraan mee in hun foldermateriaal!

Een goede isolatiewaarde ligt tussen de 3,5 en de 4 en alles daarboven is erg goed. Het ligt natuurlijk voor de hand dat in de toekomst onder "goed" en "erg goed" door aangescherpte regelgeving hogere waarden worden verstaan.

Op de bouw moet de isolatie netjes verwerkt worden, bij het ontwerpen en uitwerken kan men hier soms al wel rekening mee houden. Wat exact onder de term "koudebrug" valt wordt verschillend beleeft. Zwakke schakels in de isolatieschil zijn echter niet altijd te voorkomen. Wel kan gesteld worden dat goede praktische detaillering veel op kan lossen.

De dikte van muren zegt tegenwoordig niets over hoe goed deze constructie isoleert. Wil men dit weten dan is het noodzakelijk vast te stellen welk isolatiemateriaal is gebruikt inclusief de dikte. De folder van de fabrikant moet men echter ook kritisch lezen, aangezien ook daarin vaak berekeningen zijn opgenomen die te positief zijn!

 


Booij Ontwerp & Bouwmanagement, Powered by Joomla! and designed by SiteGround